Transcriptie
89
medeneemende een pantijtje tins.
De inzamelaars dier vergstooffe hebben haare onmogelijkheid, om dit nine„
„raal verders in te zamelen, bij mij komen betuigen;
Mijn Vriend weer
beter dat ik geheel onvermogend ben om hun behuipzaam te weezen, ter
„wijl eenige in de boverlanden zig met die kostwinning gereerende persoo„
„pen naar Rombouw en Pahan geretireerd, en nog niet te rug gekeerd zyn,
waarom ik hun het laaten aan zeggen dat ze zig weder onder het gebied van
dit Rijk moesten begeeven; twee of drie derzelve hebben bij haare te
rug komste zig almede bij mij bezwaard, waar mede zal ik hun te
vreede stellen, daar mijn vriend weet dat ik niets heb, en ook mijne
Als mijn Vriend niet wil
onderdaanen, om hun te gemoed te komen;
of kan gelooven, kan mijn vriend naar zulks laaten verneemen door het
herwaarts zenden van een of twee Comp„s vaartuigen, dan zal mijn Vriend
wel agter de waarheid komen en ik twijfel geenzins of mijn vriend
zal ook mijne drukkende armoede kunnen gewaar worden; Ik ben
derhalven bedugt dat men wel haast van hier zal retireeren, om dat
alle mijne onderdaanen niet langer in zulk een armoedigen staat
kunnen harden;: Als mijn vriend medelijden met mij en mijne onder„
„daanen heeft, zoo verzoek ik om twintig duijzend Spaansche reaalen,
op dat ik daar door in staat moge weezen mijne onderdaanen te ge„
„moed te komen, dog zoo mijn vriend mijn verzoek in deezen riet
kan bewilligen; zoo zullen alle mijne onderhoorigen van hier vertrek„
„ken en hunne kostwinning elders gaan zoeken.
uit mijns vriends brief heb ik verstaan, dat eenige goederen van
den Kustvaarder onder mij, mijn Pangauwa, Panglima, en Iabandaar te
vinden zijn, ik heb niets onder mijne, nog onder hunne berusting,
ja geen duijt, laat staan eenige duizenden, alzoo ik bij het vertrek
van dat vaartuig, in presentie van den Capitein Luitenant Blan„
„daun, alles met den Nagoda Tambie Teneen heb afgemaakt
Thamat
Geschreven op den berg Slangenoor op Dingsdag den 28„en dag van de
maand